PRAPRA, ofwel Progressieve Retina (netvlies) Atrofie, wordt onderverdeeld in twee vormen: gegeneraliseerde PRA (gPRA) en ventral PRA (cPRA). De laatste vorm wordt tegenwoordig “retinaal pigment epitheel dystrofie” (RPED) genoemd.Gegeneraliseerde PRa wordt weer onderverdeeld in retina dysplasie en retina degeneratie. Bij dysplasie treden er veranderingen op aan voornamelijk de staafjes (zien in de schemer) voordat de retina volledig is ontwikkeld. Dat is dus voor een leeftijd van 10 werken.Bij degeneratie is op jonge leeftijd nog niets aan de hand. De afwijking ontstaat pas op latere leeftijd.Gegeneraliseerde PRa komt altijd voor aan beide ogen in ongeveer dezelfde mate. Het begint met nachtblindheid, en uiteindelijk komt er ook dagblindheid zodat de hond volledig blind wordt.PRA is niet pijnlijk voor de hond. Vaak vormt zich er later een cataract bij.De overerving van de vroege en de late vorm is bij de onderzochte rassen steeds enkelvoudig autosomaal recessief. De enige uitzondering is op dit moment de Siberische Husky waarbij de PRA gekoppeld is aan het X-chromosoom. Er zijn rassen waarbij men spreekt van “early onset”, dus op vroege vorm, en “late onset”, late vorm. Maar er zijn ook rassen bekend die een “intermediare vorm” hebben en er dus tussenin zeitten qua tijdstip van onstaan. Dan kan het ook nog zo zijn der er binnen één ras twee vormen voorkomen.Honden bij wie de aandoening aantoonbaar is(dmv. ofthalmoscopish onderzoek) zijn “lijders”. De ouderdieren zijn in dat geval zeker “dragers”. Zij hebben het defecte gen wel, maar laten de ziekte niet zien. De nestgenoten van de “lijder” kunnen vrij, drager of aangetast zijn.CataractBij Cataract zien we een witte vertroebeling van de lens. Dit kan onder andere ontstaan door trauma (ongelukken), giftige producten, suikerziekte en ontsteking.Een groot aantal van de gevallen is echter erfelijk. Ook kan het zijn dat Cataract optreed als gevolg van andere oogafwijkingen.Cataract kan al op zeer jonge leeftijd optreden, vanaf de geboorte. Dat heet congenitale (aangeboren) cataract en wordt vaak pas opgemerkt tussen 6 en 8 weken leeftijd. De juveniele cataract treedt op tussen 1-8 jaar. Als de witte troebeling later optreed spreekt men van ouderdomscataract.De blauwachtige-witte waas die oudere honden in hun ogen krijgen is geen cataract maar lenssclerose. Dit is een normaal verschijnsel bij ouderdom. Bij lenssclerose kan de hond nog iets zien in tegenstelling tot cataract waarbij de hond blind kan worden. Het is dus belangrijk dat de juiste diagnose wordt gesteld.In gevallen waarbij het netvlies nog goed functioneert kan een chirurgische ingreep de oplossing zijn.Patella LuxatiePatella is de officiële naam voor de knieschijf. Een patella luxatie betekent dus een verschoven knieschijf. Er zijn verschillende vormen van luxaties. De meest voorkomende is de luxatie naar mediaal, d.w.z. naar de binnenzijde. We zien dit vaak bij honden van de kleine rassen. De luxatie naar lateraal, waarbij de knieschijf aan de buitenzijde voelbaar is zien we soms bij de grote rassen, vaak in combinatie met een draaiing van het dijbeen. Deze laatste vorm is zeldzaam. Hierna zullen we het daarom alleen hebben over de luxatie naar mediaal.OorzaakHet kniegewricht is de verbinding tussen dijbeen en scheenbeen. Aan de voorzijde onderaan het dijbeen loopt een sleuf waar de knieschijf doorheen glijdt. Aan boven en onderzijde van de knieschijf zit de kniepees die op haar beurt weer vastzit aan een beenkam bovenaan, voorop het scheenbeen.Bij sommige honden is de sleuf in het dijbeen te ondiep en zit de aanhechting van de kniepees wat te ver naar binnen. De knieschijf kan dan gemakkelijk uit z'n sleuf naar binnen schieten (afglijden). Als dit gebeurt spreken we van een patella luxatie.VoorkomenDe patella luxatie naar binnen (mediaal) is vooral een probleem bij de kleinere hondenrassen zoals terriërs, dwergpoedels, chihuahua's, papillons en andere kleine honden. Het komt echter ook af en toe voor bij de grotere rassen.DiagnoseDe klachten van de hond hangen af van de ernst van de luxatie. We kennen verschillende vormen;Als de knieschijf er slechts af en toe afschiet, spreken we van een habituele patella subluxatie. Honden die dit hebben, lopen af en toe een paar passen met een poot opgetrokken. De knieschijf is alleen op dat moment van zijn plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de hond loopt normaal verder.Wanneer de knieschijf er vaker afligt en slechts af en toe terugspringt, spreken we van een stationaire (sub)luxatie. Deze honden hebben problemen met overeind komen en lopen. Ze gaan met hun achterpoten met O-beentjes (een soort kikkerpas) lopen. De hond heeft hier zelf behoorlijk last van.De ergste vorm is wanneer de knieschijf er totaal afligt en ook niet meer op z'n plaats is terug te leggen. Deze dieren kunnen niet normaal staan en moeten als het ware roeien met hun achterpoten om vooruit te komen. Soms lopen ze alleen op hun voorpoten!!Bij onderzoek moet niet alleen naar de ligging van de knieschijf gekeken worden maar ook naar de stand van het dijbeen. Verder zijn de kromming van de beenkam op het scheenbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen van belang. Ook zien we in combinatie met een patella luxatie nog wel eens andere knieproblemen zoals gescheurde kruisbanden of extra gewrichtsslijtage.BehandelingDieren met een patella subluxatie, waarbij de knieschijf maar heel af en toe luxeert hoeven niet perse geopereerd te worden. Als de knieschijf vaker van zijn plaats schiet, of zelfs permanent verkeerd ligt moet er worden ingegrepen.De enige manier is operatief. Bij een subluxatie is het vaak voldoende om de aanhechting van de kniepees een stukje te verplaatsen.Dit gebeurt door de beenkam bovenaan bet scheenbeen los te maken en op de correcte plaats weer vast te zetten.Als ook de sleuf in het dijbeen (knie) te ondiep is moet deze worden uitgediept. Vroeger gebeurde dit door in het dijbeen een nieuwe sleuf te frezen. Nadeel hiervan was dat het gewrichtskraakbeen onherstelbaar beschadigd werd. Daarom kiezen we nu liever voor technieken waarbij dit kraakbeen zoveel mogelijk gespaard blijft.Hiernaast wordt het gewrichtskapsel strakker aangetrokken zodat de knieschijf beter op z'n plaats blijft liggen.De behandeling van dit knieprobleem verschilt dus van geval tot geval en is afhankelijk van de ernst van de aandoening.Heden ten dage moet het wel heel ernstig zijn wil men tot opereren overgaan,omdat vast is komen te staan dat er na een operatie artrose optreedt.Het is niet aan een dierenarts dit te beoordelen,alleen een orthopeed is kundig op dit gebied!ErfelijkheidDe aandoening is erfelijk. Het is daarom raadzaam niet te fokken met dieren met een duidelijke luxatie. De precieze wijze van overerving is niet bekend, maar zal waarschijnlijk op meerdere factoren berusten, net zoals b.v. bij heupdysplasie.PreventieAfgezien van een gericht fokprogramma is er geen manier om luxaties te voorkomen. Traplopen, springen en dergelijke hebben geen directe invloed op het ontstaan van een luxatie.